OVER COR

Cornelis Albert is op 23 mei 1920 op de Emmakade in Leeuwarden geboren als eerste zoon uit het huwelijk van Albert Molenaar (graanhandelaar) en Baukje Sieperda (maatschappelijk werkster). De tweede zoon Bauco is de inmiddels wijlen vader van ondergetekende.

Cor ontpopte zich tot een gevoelige jongen, terwijl zijn jongere broer Bauco meer een wildebras was. Hij kon erg goed leren; de enige onvoldoende die hij haalde was voor sport. 
Cor zat als klein jongetje al graag mee te luisteren naar de gesprekken van de volwassenen. Kleine potjes hebben grote oren was op hem zeker van toepassing.
Hij prentte veel in zijn hoofd en kon tot op hoge leeftijd herinneringen gedetailleerd reproduceren. 

Cor 29 jaar

Zo was hij op zijn vijfde jaar met zijn familie met vakantie op Ameland toen hij de onheilstijding hoorde, dat zijn tante Hotske was vermoord in Nederlands Indië  (Paloppo, Celebes). 
Precies vertelde hij waar hij was op Ameland, hoe zijn ouders reageerden, wat voor weer het was. Wat ook nog diep in zijn geheugen stond gegrift en waarvan hij ooit tegen me zei dat dat het afschuwelijkste moment was in zijn leven, was het hartverscheurende verdriet van zijn tante Woltje bij het vertrek van haar nog enig levende dochter Gelkje Baukje. Zij vertrok 5 jaar na de moordpartij ook met haar man naar Nederlands Indië.   

Cor kreeg van zijn tante Marie de liefde voor muziek mee (zang en pianospel). Hij hield van klassiek in tegenstelling tot broer Bauco die tot zijn ergernis jazz en kroegliedjes speelde op de piano thuis. Op de tennisclub en dansles waren jonge dames genoeg. Cor was onderhoudend voor de dames, maar toonde zich meer aangetrokken tot mannen. Helaas leefde hij in een tijdperk dat homoseksualiteit taboe was en hij vertelde me dat hij aanvankelijk dacht dat hij aan een ziekte leed, omdat daar zo over werd geschreven. Een vaste relatie heeft hij niet gehad in zijn leven, behalve de symbiotische met zijn moeder.  

Ik vond een knipsel in het handschrift van Cor: 


Drie oudere vrouwen waren belangrijk in zijn leven. Ik noemde al zijn moeder. Na de dood van zijn vader in 1971 heeft hij voor haar gezorgd tot de hoge leeftijd van 93 jaar. Hij woonde op loopafstand van zijn moeder in Leeuwarden. Ook had hij een sterke band met zijn muzikale ongetrouwde tante Marie. Hij heeft haar begeleid naar Zuid Afrika om familie te bezoeken. Nadien verzorgde hij haar tot haar sterfbed. Dan was er tante Jet (nicht van vaders zijde), die haar kind verloor toen Cor werd geboren. Tante Jet woonde in Genua en zong in de opera. Cor zocht haar vele malen op. (Genua was in die tijd nog een havenstad voor de schepen naar Nederlands Indië).  
Ondergetekende, neef Bart: “ik kende hem niet anders dan dat hij een teer gestel had. Zijn slechte ogen belemmerden hem. Hij zei vaak last te hebben van winterdepressies. Als ik op bezoek wilde komen, dan hield hij dat nogal eens af met als reden dat hij grieperig was. Hij wilde een goed gastheer kunnen zijn en dan legde hij de lat hoog. Als ik daar was, alleen of in gezelschap van mijn eega, begon hij te vertellen en hij leek wel steeds meer energie te krijgen. Na afloop van het bezoek voelde hij zich veel beter!”       

STUDENTENTIJD 
Op zijn 18e haalde hij het eindexamen aan het Stedelijk Gymnasium van Leeuwarden en vertrok daarna naar Leiden om theologie te studeren. Hij voelde zich onder de Leidse studenten als een vis in het water. Hij kon zijn intellectuele scherpzinnigheid verder ontwikkelen. WO II brak aan. Hij was getuige van de invasie, zag parachutisten landen bij Valkenburg en Rotterdam in brand staan door de Duitse bombardementen. Hij wist zijn kandidaatsexamen nog te behalen voordat de universiteit van Leiden in november 1941 werd gesloten.  
Hij vervolgde zijn studie theologie in Groningen, hetgeen betekende dat hij de loyaliteitsverklaring had ondertekend. Qua studie voelde hij zich minder op zijn plaats in Groningen dan in het vrijzinnige Leiden.  In Groningen studeerde hij onder het gezag van een man die streng in de leer was. Het betrof Hajtema die volger was van Karl Barth. Cor werd lid van het andere kamp: de vrijzinnig hervormde kerk. Cor ging een discussie niet uit de weg, welbespraakt als hij was; scherpzinnig, vrijzinnig en eigenzinnigheid kenmerkten hem. Na de oorlog kreeg hij sancties opgelegd vanwege de loyaliteitsverklaring. Hij mocht een bepaalde tijd geen examens doen, wel colleges volgen.

PASTORALE TIJD/JUTLAND 
Cor was op het eind van de oorlog en na de oorlog hulppredikant op diverse plaatsen in Friesland en zelfs op Vlieland. In de naoorlogse winter ging hij werken als kinderpastor voor de Deense humanitaire organisatie Red Barnet (Red het Kind). Honderden Nederlandse kinderen waren naar pleeggezinnen in Jutland gestuurd om gezondheidsredenen. Cor heeft diverse vriendschappen gesloten met Deense families. Hij leerde de Deense taal en is in de loop van zijn leven vele malen terug geweest. De liefde voor Scandinavië bracht hem er toe om in 1948 de Scandinavische Contact Club Fryslân mee op te richten. Hij is zeer actief geweest met lezingen geven en 6 jaar voorzitterschap (1983-’89), waarbij hij het 40 jarig jubileum ervoer als hoogtepunt. In 1997 werd hij benoemd tot erelid. 
 
POST PASTORAAL   
Cor is uiteindelijk geen beëdigd predikant geworden. Naar de buitenwereld toe had hij het toen al over zijn slechte ogen en over verschil van mening over de geloofsopvattingen met Hajtema. Ik vroeg hem waarom hij niet terug was gegaan naar vrijzinniger oorden zoals Leiden, om alsnog af te studeren om beëdigd dominee te kunnen worden. Hij antwoordde dat hij het niet zag zitten om alléén in een pastorie te wonen. Hij wilde geen dubbelleven leiden, maar recht doen aan zijn gevoel. Cor wilde het uit de kast komen niet combineren met een maatschappelijke functie als dominee.  
Cor werd uiteindelijk dus geen dominee. Hij ging Russisch studeren in Groningen om zijn intellectuele literaire talenhonger te stillen. Maar hoe voorzag hij dan in zijn levensonderhoud? Van zijn vader leerde hij veel over financiën en het is hem gelukt met goed beleggen en zuinig leven onafhankelijk te zijn van anderen, ook van de staatsuitkeringen. 
Hij was zeer goed op de hoogte van de familiestambomen. Zo wist hij dat hij afstammeling was van de in 1440 geboren Gerrit van Belcum. Hij schreef mij over zijn interesse in weloverwogen naamgeving bij geboortes. De naam Albartus Otto herhaalde zich in de familie geschiedenis. Mea Culpa stond er in zijn brief: “Het spijt me; zelf heb ik niet bijgedragen om de naam Albartus Otto door te kunnen geven…” Zijn broer Bauco heeft mij (ondergetekende) deze naam gegeven. 

Cor heeft jarenlang zitting genomen in een commissie van het Christophorileen. Dit Leen was door van Belcum ingesteld om zowel priesters als pastors de kans te geven om te studeren. Heden ten dage verschaft het Leen studiebeurzen (pensies) aan armlastige studenten die afstammen van Gerrit van Belcum. Alleen de meeropbrengsten van het kapitaal worden besteed, zodat het Leen tot in lengte van dagen door kan gaan. 

krantenartikel over het Christophorileen met notitie Cor
krantenartikel over het Christophorileen met notitie Cor


Geïnspireerd daardoor heeft Cor zijn gespaarde kapitaal in een Molenaar-Sieperda stichting gestopt met als doel humanitaire doeleinden te kunnen financieren. Zo wil hij de namen van zijn beide ouders, Molenaar en Sieperda, laten voortleven.  
Ongeveer 10 jaar geleden, voor zijn sterven, verhuisde Cor van het flat Westeind aan het Europaplein in Leeuwarden naar zorgcentrum de Swettehiem. Er kwamen daar niet veel mensen bij hem op bezoek, maar daar had Cor ook niet veel behoefte aan.   

Multum non multa was zijn lijfspreuk. Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit.   


opgetekend door A.O. Molenaar, neef van Cornelis Albert Molenaar